Nabestaandenpensioen

 

Als deelnemer aan de pensioenregeling voor de betonmortelindustrie bouwt u in de eerste plaats ouderdomspensioen op. Maar u bouwt ook nabestaandenpensioen op. Mocht u komen te overlijden, dan heeft uw partner hierdoor recht op een nabestaandenuitkering. We maken onderscheid tussen twee situaties:


A- U overlijdt voor uw pensioendatum

In dat geval heeft uw partner recht op een nabestaandenpensioen van Bpf-Mortel. Hij of zij ontvangt een uitkering ter waarde van 70% van het ouderdomspensioen, dat u zou hebben opgebouwd op uw 65ste. Als we de hoogte van de uitkering berekenen, nemen we uw arbeidssituatie op het moment van overlijden als uitgangspunt.

 

Voorbeeld (alle bedragen zijn bruto)

Een deelnemer heeft 9 jaar pensioen opgebouwd bij Bpf-Mortel en overlijdt op 45-jarige leeftijd. Voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellen deze 9 jaren uiteraard mee. Verder tellen we ook de 20 jaren mee tussen de dag van overlijden en de dag dat hij 65 zou zijn geworden. Immers, op het moment van overlijden was hij nog deelnemer aan de pensioenregeling. We baseren de berekening van het nabestaandenpensioen dus op 20 + 9 = 29 jaar deelname aan de pensioenregeling van Bpf-Mortel. 

 

Hoeveel nabestaandenpensioen krijgt de partner van deze deelnemer?

We berekenen dat als volgt:

We kijken eerst hoeveel zijn vast overeengekomen salaris, inclusief

vakantietoeslag, prestatietoeslag en dienstjarentoeslag bedroeg:   € 27.000

We trekken daar de franchise af:                                                € 15.428-
                                                                                                ------------

Dan weten we zijn pensioengrondslag:                                        € 11.572

 

Als de deelnemer niet was overleden, zou hij op zijn 65ste een jaarlijks pensioen hebben opgebouwd ter waarde van: € 11.572 x 2,15% x 29 = € 7.215,14.

 

Het nabestaandenpensioen bedraagt per jaar 70% van dit bedrag. Dat is € 5.050,60. De partner van de overledene ontvangt dit bedrag uitgesmeerd over maandelijkse uitkeringen. Per maand is dat 5.050,60 : 12 = € 401,03. De eerste uitkering vindt plaats op de eerste dag van de maand na het overlijden van de deelnemer.

 

B- U overlijdt na uw pensioendatum

In dit geval zijn er drie mogelijkheden.

 

1- Als u met pensioen gaat, ruilt u het door u opgebouwde nabestaandenpensioen uit voor een hoger ouderdomspensioen.

Een eventueel opgebouwd nabestaandenpensioen tot 1 januari 2001 kunt u niet uitruilen. U mag dus alleen het nabestaandenpensioen gebruiken dat u heeft opgebouwd sinds 1 januari 2006. Wat betekent dit? Stel dat u overlijdt. Dan heeft uw partner geen recht op een nabestaandenpensioen dat u had opgebouwd vanaf 1 januari 2006. De uitruil van het nabestaandenpensioen is een mogelijkheid als u alleenstaande bent of als uw partner voldoende eigen inkomsten heeft.

 

2- Als u met pensioen gaat, houdt u het door u opgebouwde nabestaandenpensioen.

Uw partner ontvangt dan na uw overlijden een nabestaandenpensioen ter waarde van 70% van uw pensioenuitkering. Heeft u bijvoorbeeld een pensioen van € 400 per maand? Dan heeft uw partner na uw overlijden recht op een nabestaandenpensioen van € 280 per maand.

 

3- Als u met pensioen gaat, ruilt u een deel van het ouderdomspensioen uit voor een hoger nabestaandenpensioen.

U mag hiervoor alleen het ouderdomspensioen gebruiken dat u heeft opgebouwd vanaf 1 januari 2001. Hoe werkt dit? Stel dat u overlijdt. Dan bedraagt het extra nabestaandenpensioen van uw partner 70% van het door u uitgeruilde pensioen.

Let op: geeft u geen voorkeur op voor mogelijkheid 1, 2 of 3? Dan gaan wij uit ervan dat u het nabestaandenpensioen houdt. Uw partner ontvangt dan na uw overlijden een nabestaandenpensioen dat 70% van uw pensioenuitkering bedraagt.